Constantijn Huygens: Van als het beste

26 apr. 2020

1 Timoth. 5.211.
God schiep, en keurde goed all wat hy had geschapen :
Maer ‘t beste Schepsel2 quam sich selven te vergapen3.
Aen een van dusenden alleen verboden Fruyt ;
Twee Gasten4 staten wel , en atender sich uyt5.
Soo brack het boose door , en bracht de gall in ’t goede6 ;
Soo sijn wy bastaerden van ouden echten bloede ;
En die noch meent den mensch te vinden soo hy was 7,
Soeckt sap-groen in dorr hout en vlammen onder d’ass.
Daer’s groen in ; maer soo bleeck , en vyer 8 , maer soo gedoken ,
En licht , maer soo bedwelmt , en macht , maer soo gebroken 9 ,
Dat all ons poogen swicht 10 , en all ons witt is grauw 11,
En all ons treden hinckt , en all ons warm is lauw ;
All ons , en in ons all’. Laet niemandt sich vermeten 12
Van meer dan overschiett ; ons weten is half weten 13.
En sien wy door een oogh , ja door een’ dunne schell 14 ,
En volck voor boomen aen , ’t is all genadigh wel.
Wy sitten , onder een , voll zeeren en gebreken 15;
Die met de minste sitt , heeft van geluck te spreken 16.
Ontmoet ick dan een mensch , als alle Menschen zijn ,
Gebreckelick gebroedt van Moeders lust en pijn 17 ;
Ick wacht 18 geen Engel in sijn menschlickheit19 te vinden :
Magh hy voor een scheel bestaen in ’t Vaderland der blinden.
‘k Sie hem20 eerbiedigh aen , ja nauwlick21 sonder nijd
Sien ick hem , boven my ; soo verre van verwijt.
Vind ick’er pleckiger en schorfter , als de meesten 22;
My dunckt , ick moet op ’t minst soo wijs zijn als de beesten 23,
En keuren , als een Koe , goed groen uyt quaed kruyd 24,
En haelen my dat in , en houden my dit uyt:
En, is’t voll onkruyds in de Tuyntjes van die Zielen ,
Ick laet dat onkruyd staen , en neem geen’ moeyt van knielen 25,
Als om de Blommekens 26te knippen uyt den drangh.
Vriendinn , ontfanght 27 de less in ’t goede , die’ck u langh :
Daer steeckt een voordeel in , dat ghy my danck sult weten ,
Soo langh ghy my geheught 28: weest op d’ondeughd gebeten
Soo vinnigh als ghy mooght 29; dat staet den Vromen toe ;
Maer , lieve, weest soo wijs , en maeckt uw’ Ziel niet moe
Met ondeughd onder uyt wat deughds te liggen soecken :
Ontmoet ghy goed en quaed 30 , in Menschen , of in Boecken ,
(Dat doode Menschen zijn die spreken uyt haer Graf)
Denckt aen ’t gemeene lot 31 en d’algemeene straf ,
Daer door wy een voor een masteluynigh32 wierden :
Denckt dit gebeurt soo wel den derden als den vierden ;
De wortel voed den Stamm , en deze Tack en Blaen 33:
Soo is het oud vergif van onder op gegaen:
Dus ben ick, dus is hy, dus zijn wy all’ in ’t hondert.
En vindt ghy dan in ’t boeck een blad dat u verwondert,
Een ander dat u sticht, een derde dat vermaeckt,
Veel’ andere daer aen , daer van u geen en smaeckt 34 ;
En vindt ghy in een Mensch een regentje van gaven 35 ,
En blommekens van Deughd : maer hier en daer begraven
In ondeughds onkruyd36 : Ey , roert aen dat onkruyd niet37,
Daer kruyd of bloemen zijn, wat lust u queeck of riet 38 ?
Die bloemen en dat kruyd zijn uwer aendacht waerdigh 39;
Die and’re ruyght geensins. Vind ick een Huys voor ardigh,
En achter niet onboent in ’t midden lijdelijck;
Daer is geen twijfel aen, als ’t ons, en ons gelijck
Het heeft sijn vuyltjens40, sijn’ verborgene riolen,
Sijn on-Civetsch geheim, sijn’ Amberloose holen;
Maer wat light ons daer aen? Sal ick de quade luch
Gaen gaeren by de goed’ , en breken de genucht41
Die my het goede gaf? En andere beschamen,
Om my wat leeds te doen? Verwisselt maer de namen,
En denckt of ’t ons gebeurd’: hoe nam ’t een’ schoone Vrouw,
Als ik haer leemten 42 wist, en wat sy decken43 wouw,
Ondeckte voor mijn oogh, of maer voor mijn gedachten:
En, of sy ’t lijden wild’ , hoe soud ick my verkrachten
Met willig’ ongenucht44 , en mengen eeck 45en gall
In ’t lieve suycker-soet van ’t eerste wel-gevall?
Gewisselick, Vriendinn, ’t is averechtsen yver46,
Sich selfs te pijnigen 47; en , hebt ghy u niet liever:
Mijn slot is48, dat de mensch sijn welvaert weinigh mint 49,
Die wel te vreên kan zijn en maeckt sich ongesint50:
En, wie volmaecktheit soeckt voor dat hy uyt den tijd 51 is,
Dat die Genoegen, Vred’ en Rust, tot dan toe, quijt is52.

  1. De context van dit passage is een brief van Paulus naar Timotheüs  (een leerling van Paulus). Paulus geeft in deze brief onderwijs aan Timotheüs. Hij geeft hem uitleg hoe hij met ouderlingen moet omgaan. In dit vers waarschuwt Timotheus om de dingen die Paulus zegt in acht te nemen.
  2. De mens
  3. Met bewondering ergens naar kijken
  4. Adam en Eva
  5. Zij aten zo veel dat ze de tuin uit moesten, dus zij aten zich letterlijk de tuin uit.  
  6. Adam en Eva
  7. Wie zegt dat hij een mens kan vinden zoals hij was voor de zondeval, een mens vrij van zonde dus.
  8. Vuur
  9. Hij die zoekt, zoekt sap-groen in dor hout, en vlammen onder het as. En daar is goren, maar zo bleek, en vuur maar zo weggedoken. En licht maar zo afwezig, en macht maar zo gebroken.
  10. Alle pogingen (om te zoeken naar een mens zonder zonder) zwicht, als in sterft omdat we niks vinden.
  11. wit is de kleur van zuiver en reinheid, mensen zondigen, en ons wit is dus niet zuiver, puur maar grauw.
  12. Overschatten, hoogmoedig. Laat niemand zich(zelf) overschatten.
  13. Ons geweten, onze kennis. Wat wij weten is slechts voor de helft weten.
  14. Oogvlies
  15. Vol pijnen en gebreken.
  16. Hij die de met de minste pijnen zit, heeft van geluk te spreken.
  17. Ontmoet ik dan een mens, zoals iedereen is, gebroed door Eva’s lust (naar de vrucht) en pijn.
  18. verwacht
  19. Menselijkheid
  20. Engel in zijn menselijkheid.
  21. Nauwelijks
  22. Vind ik een mens bevlekter en schurfter.
  23. Ik moet op z’n minst zo wijs zijn als dieren zijn en..
  24. Als een koe groen gras te weten onderscheiden uit kwaad kruid. Als een ‘koe’ het goede onderscheiden uit het slechte.
  25. Ik laat het onkruid staan en doe niet de moeite om te knielen om onkruid te snoeien.
  26. Bloemenkrans.
  27. Ontvangt.
  28. Zolang jij me herinnert.  
  29. Kan.
  30. Kwaad.
  31. Gemeenschappelijke lot.
  32. Masteluin: mengsel van rogge en tarwe.
  33. Bladeren.
  34. ‘Geen en’  is een dubbele negatie. Lees de ‘en’ niet als voegwoord.
  35. En vind je een mens in een regentje van goede dingen.
  36. Een bloemenkrans van deugd hier en daar begraven in ondeugd onkruid.  
  37. Kom niet aan dat onkruid!
  38. Wat wil je? Gekweekt of natuurlijk?
  39. Bloemen en kruid zijn allebei uw aandacht waard.
  40. Vuiltjes.
  41. Genoegen.
  42. Leegtes, gebreken.
  43. Bedekken/verbergen.
  44. Hoe zou ik mezelf verkrachten (met tegenzin iets ondergaan) met vrijwillig ongenoegen.
  45. Azijn
  46. IJver.
  47. Het werk averechts jezelf te pijnigen.
  48. Het einde.
  49. Bemint, liefheeft.
  50. Hij die zijn welvaart weinig liefheeft, kan tevreden zijn en maakt zich zonder zonden.
  51. Wereldse tijd.
  52. Hij die volmaaktheid zoekt in deze tijd, zal dan genoegen, vrede en rust kwijt zijn (want je zal nooit vrede vinden, rust krijgen en voldaan zijn, omdat volmaaktheid niet bestaat in deze wereld).