Gedicht: Verdwijnzaamheid

1 mei. 2020

Och, mijn Heerser, Koning van het groen1;
Zie wat verdriet en eenzaamheid mij doen
op mijn waterige2 wegen3, die ik beloop zonder;
iemand aan mijn zijde, waarst4 wonder?

Koning van het leven, ‘t wonder vant hart,
Dwaal ik in het groene, het levenssmart5.
En in dat groene vind ik geen helder wit6,
Slechts ’t grauwe grijs, waar ik in zit.

En mocht ik dan het witte vinden, zuiver en puur,
Sta ik op, en dwaal ik verder ieder levensuur;
en ween, lijd en sterf ik7  in verdwijnzaamheid8 ,
Verlos me dan, Koning van ontelbaarheid9.

– R.S

 

Dit betreft een eigen werk 

  1. Beeldspraak; groen is de natuur
  2. Verwijst naar verdriet.
  3. Alliteratie: Waterige Wegen
  4. Clisis: Waar is het/dat.
  5. Verwijst naar de natuur, maar ook de menselijke natuur. Beide naturen zitten vol smart, door de zondeval
  6. Wit is symbolisch voor zuiver, puur en onschuld. In het groene vind ik niks zuivers
  7. Overtreffende trap en een tricolon: ik huil, ik lijd, ik sterf.
  8. Een neologisme: een combinatie van eenaaamheid, en verdwijnen. Het benadrukt het alleen zijn en het verdwijnen in jezelf en voor de wereld.
  9. Dit is de laatste van de overtreffende trap/climax van de Koning: Koning van het groen, Koning van het leven, Koning van ontelbaarheid (= koning van alles).