Inleidend Gedicht

Ik had nooit gedacht
waar mijn hart naar smacht;
          letters uit het verleden
De oudheid waarin ik verkeer:
in boeken, ik daarmee nog meer
          in eenzaamheid zou treden.

Bevangen door Liefde

Venus heeft me omsloten
in haar gracieuze armen, vast
in haar knellende eis gesloten
moet’k lijden onder wat zij gelast.

Verstand

Oh, God! Schenk mijn rede die wijsheid
zoals u aan Salomon heeft gegeven
opdat zij die vriendschap met dwaasheid
niet met mijn barre nijd moge beleven.

Nieuwjaar

Och God, de uren konden niet lopen,
reppen is wat zij deden met hun kracht.
En sneller dan wij wellicht hopen 
zien we hoe nieuwjaar naar ons lacht. 

Ik dwing mijzelf mijn rust te nemen,
en mijn hoofd die gunst te verlenen. 
Opdat mijn zalige hart straks vol vitaliteit
kan vechten tegen die gehaaste nieuwe tijd. 

Met geluk zal de Godin met zeegroene ogen, 
ons een snufje van haar wijsheid geven  
zodat wij onszelf oprecht kunnen beloven
het nieuwe jaar foutminderend te leven.

Dochtersamoureuze

Wat is er mis met mijn dochtersamoureuze,
waardeer ik niet langer meer haar gracieuze
leering en stuuring, och ik neem het niet aan
laat ik die wijsheid mijn rede voorbij gaan.
Het is schaamte die in mij overheerst, want
elke harthebbende vrouw heeft het verstand
om haar kennis te onderdrukken en te leren
van haar bloed, maar kan ’t niet appreciëren.

Ik breek nu wel geboden, versteend die waren.
Zit ik de verzuurde uren naar zonde te staren.
Maar mijn drager is ondraagbaar anders dan ik
geloof mij, dat ik in mijn zilte tranen stik.
In kennis is zij de geringe en ik de reuze,
wat is er mis met mijn dochtersamoureuze. 

Zeusgevoede Zondige Zonen

Zeusgevoede zondige zonen
die dit rijk hoogmoedig bewonen
moesten mijne hart vernauwen.
Zeusgevoede zondige zonen,
melancholie moest mij benauwen,
kon ik niet mijn ziel vertrouwen.
Zeusgevoede zondige zonen
die dit rijk hoogmoedig bewonen.

Het Gezag van de Dichtgod

Och, eenzame goden, zie, hoe ik lijd
onder het gezag van Apollo’s wrange eis
hoe de hardzwoegende ik al mijn tijd
moet besteden aan een mooie wijs.

Dualiteit

De vergeever van mijn zonde en daade,
kwam als stof tot deez’ vervloekte aarde.
(Ik als zondaar in zijn liefde en goed-)
leerde ook mij hoe ik liefhebben moet.

Door onschuld is mij eeuwig gegeven,
kan ik met een reine geest, ‘s werelds leven
want de tijd’lijk smarten, verlangen en deugden
zijn net zo aanwezig als die hemels vreugde,

maart aardse is sterker dan de zielse geest,
merk ik daaglijks hoe erg ik ben gevreesd
voor de dood, voor ziekte en voor pijn
laat mij dan toch int eeuwige zijn!