Enerverende Elocutio: een dialoog

4 nov. 2020

SPREKER

Aandachtige Aanwezigen, mijn vrienden die zichzelf nog kunnen etaleren met gezond verstand, iets wat zich bij velen steeds meer schuilhoudt! Ik heb mijn jonge jaren en in de ledige uren beziggehouden met de taken van de redenaar, en ja, ik liet mijn geest samenkomen met Cicero. Dit werk betreft De Oratore. 
      Ik zal jullie verzoek nu inwilligen door een uitgebreid verslag te doen van mijn verdwijning en ik zal jullie geesten sussen en de wilde winden laten liggen als ik straks zal beginnen over de kracht van stijlleer. Hierbij zal ik jullie Cicero’s wijsheid niet misgunnen en zal ik jullie niks onthouden wat niet onthoudend moet zijn, maar wat onthouden moet worden! Ik zal niet verder uitweiden; Apollo’s wagen is al reeds aan de einde van zijn rit en ik moet nog beginnen! De dag is ouder dan ik! Maar vergeeft u me als u me toch betrapt op excursen, zoals jullie weten verkies ik zilver boven goud, en kan ik niet zwijgen maar slechts spreken. 

Oké, magistrale mensen. Laten we beginnen met de eerste stijlkwaliteit: correctheid. Correct taalgebruik. Hierbij moet de spreker de taal zuiver spreken, zoals zuiver water, een zuivere geest, een zuivere rede bevat zuivere taal. Cicero stelt dat wie de taal niet behoorlijk spreekt, niet serieus genomen kan worden! En gelijk heeft deze geroemde Romein. Wie zijn eigen moedertaal niet zuiver spreekt, wordt bijna nooit serieus genomen, wie …. 

TOEHOORDER

Daar zegt u me wat, wijze spreker! Maar vertel me. Wie bent u om te zeggen dat iemand die niet goed spreekt niet serieus genomen kan worden! Wat voor venijn fluistert u ons nu in; zegt u nu dat wij die inhoud moeten verzaken omwille van iemands zuivere taalgebruik? En vertel, wat is dit zuivere taalgebruik dan? 

SPREKER

Als u mij, geachte luisteraar, niet had onderbroken, dan had u het antwoord geweten nog voordat u uw eerste zin had afgemaakt. Ik zal uw vragen beantwoorden, opdat u bevrijd zal worden van u moderne ontwetendheid, want, waar ik op doel is niks anders dan dat retorica een zuivere kunst is die de redenaar beoefent – waar het dat u nog in kunst gelooft. Waar de schilder schildert met kleur, daar schildert de redenaar met woorden. Waar de pianist je vleit met klanken, daar vleit de redenaar je met de alliteratie. Waar de vrouw de man verleidt met haar schoonheid, daar verleidt de redenaar zijn publiek met de schone rede. Ziet u waar ik heen wil gaan? Ziet u hoe ik zeg dat de redenaar een kunstenaar is, een verleider en een vrijer in één? Iemand die het publiek wil amuseren, die het publiek wil verleiden en het publiek wil hébben. Ziet u in dat ik wil zeggen dat het publiek naar de redenaar toe wíl gaan? Die ín de rede wordt gezogen die in de ban is van de spreker? Het publiek zal zijn als een gevangen man, als Ovidius, die gevangenzit in zijn liefde voor de vrouw. Nou. Het is nu wel logisch dat wanneer de redenaar iemand wil amuseren, verleiden én hebben, niet louter zijn mening kan geven en hopen dat iemand die deelt, want aandachtige aanwezigen, we weten toch allemaal dat een mooie vrouw beter verleidt dan een lelijke? We weten toch allemaal dat mannen eerst kijken naar ’t schone gelaat voor ’t schone hart? Het eerste is mooi wezen en dan mooi zijn. 

Wordt vervolgd..