Selecteer een pagina

Cum Privilegio: vroegmoderne copyright

7 mei 2021 | Boekwetenschap, Letterkunde

Tegenwoordig is iedereen bekend met de term copyright. Je mag niet zomaar iemands werk stelen, of namaken of zelfs gebruiken. Wanneer een melodie van een nieuwe liedje te veel lijkt op een bestaand liedje, komt daar gelijk gedoe van. Het lijkt dus dat men constant bezig is met het beschermen van zijn ideeën en werken. Het idee van copyright is echter geen moderne uitvinding. In de vroegmoderne tijd had men al te kampen met hetzelfde probleem: de kopieerzucht van anderen. 

Fig. 1: Privilegie die is aangevraagd voor Theatrum Orbis terrarum, (1571). Dit is op de laatste bladzijde van het boek te vinden.

Wanneer je als uitgever het werk wilde beschermen, moest je bij het stadsbestuur privilege aanvragen. Met een privilegeaanvraag kreeg de uitgever exclusieve publicatierecht. Op deze manier kon de uitgever bepaalde producties bij concurrenten weghouden. Zo’n privilege gold alleen voor individuele werken, niet voor hele genres. Succesvolle concepten konden daardoor alsnog door anderen worden opgepikt.

Bij het aanvragen van een privilege waren kosten verbonden. Hoeveel dit kostte is niet precies bekend. Er zijn enkele schaarse prijzen uit de periode van 1670 – 1740 voor privilege van boeken bekend, die prijzen varieerden tussen de 40 en 106 gulden. [1]  

Fig. 2: Op de titelpagina van een treurspel Semiramis, of de dood van Ninus staat onderaan ‘Met privilegie’.

Een privilegie duurde niet eeuwig. Vaak was het product voor 6 tot 10 jaar beschermd. In de tweede helft van de zeventiende eeuw werd dit standaard 15 jaar. Er stonden flinke boetes op het schenden van privileges, zodat het een schrikbarend effect had. In het begin van de 17de eeuw kon een boete variëren tussen de 100 en 1000 gulden. Rond 1675 kwam er een standaard boete van 300 gulden die rond 1713 werd verhoogd tot 3000. De verhoging heeft natuurlijk te maken met de veranderende industrie, die was namelijk zo veranderd dat de eerdere boete van 300 gulden nauwelijks nog afschrikwekkend was. 

In figuur 1 zien we in het privilegie de duur staan, maar ook de boete. Het privilege dat de atlas van Ortelius zou 10 jaar duren en de boete zou 25 Carolus gulden zijn per boek. Een Carolus gulden was een gulden eenheid in de tijd van Karel V. De gulden was naar hem vernoemd. 

 

Fig. 3a: Kopie van het privilege
Fig. 3b: Kopie van het privilege.

Ook in het treurspel (fig. 2) is aan het einde van het werk de privilege opgenomen. Dit boek is ruim 150 jaar na de atlas van Ortelius uitgekomen en we zien dit terug in de duur van het privilege, die namelijk 15 jaar zou duren. Daarnaast is de boete ook veel hoger; die is 3000 gulden.

 

Prenten en cartografie

Niet alleen werden boeken en teksten beschermd tegen de kopieerzucht, maar ook werden er privileges aangevraagd voor prenten of kaarten, zoals op de kaart van Amerika van Blaeu uit 1621 (fig. 4).   

Fig. 4.: Americae nova Tabula. 1621.

Links onder de kaart zien we staan: Cum privilegio decem annorum, in het Nederlands: Met privilegie zonder jaar. Wat kan betekenen dat er geen termijn is en dit object altijd beschermd is tegen namaak.

Niet alleen boeken waren dus beschermd door een privilegie, maar ook kaarten en prenten. Bij een boek kunnen we vaak zien in welke regio de privilege gold, bij kaarten en prenten is dit vaak afwezig.

Doel 

Het aanvragen van privilege had de volgende doelen: 
1. Verwerven van een monopoliepositie. 
2. Kostbare investeringen kregen bescherming. 
3. Het voorkomen van nadruk van mindere kwaliteit. 

Ik ga nog even kort in op het eerste punt. Een uitgever wilde dus de enige zijn die een bepaald werk op de markt kon brengen. Dit lukte alleen niet altijd op de manier zoals de uitgever dat zou willen. In 1597 probeerde globemaker Jacob van Langren zijn concurrent Hondius weg te houden door hem op zijn privilege te wijzen [1]. Het is van Langren dus niet gelukt om via een privilege zijn concurrenten van zich af te slaan, privileges sloegen immers niet op genres. Hondius mocht dus zelf ook globes maken en kreeg uiteindelijk zelfs een veel sterkere positie dan Van Langren had! 

Zo’n monopoliepositie gold natuurlijk ook heel erg voor de cartografie. Uitgevers streefden erna om accurate [wereld]kaarten op de markt te brengen. Die kwamen tot stand met nieuwe kennis die zeelieden meenamen van hun reis. In de 17de eeuw had Amsterdam een machtspositie op zee en dus veel zeelieden die de wereld rond gingen. Wanneer de zeelieden in Amsterdam aankwamen, konden nieuw ontdekte gebieden gedeeld worden met de cartografen. Een privilegie zorgde ervoor dat die nieuwe inzichten niet door anderen ‘gestolen’ konden worden.  

Privilegie was dus belangrijk, vooral wanneer de concurrentie groot is. Dit wil echter nier zeggen dat iedereen zich braaf aan de privilegie hield. Uitgevers kopieerden desondanks werken van anderen. In Amsterdam was dit aantal echter klein; de sociale controle was te groot en winkeltjes stonden vlak bij elkaar in de kleine binnenstad. Over de stadsgrenzen zijn wel meer gevallen bekend van schendingen van privilegies. 

 

 

Bronnen & verder lezen:

Kolfin, E. & Van der Veen, J. Gedrukt tot Amsterdam

[1] Kolfin, E. & Van der Veen, J. Gedrukt tot Amsterdam .